Wat is het verschil tussen Hebreeën en Israëlieten?

Op een bepaald moment in de geschiedenis zien we dat de term “Hebreeër” en “Israëliet” door elkaar worden gebruikt en hetzelfde betekenen, maar dit is niet altijd zo geweest.

De eerste vermelding van Heber is in de “Lijst van Natiën” in genesis 10.

Ook Sem kreeg kinderen. Hij is de voorvader van alle zonen van Heber en de broer van Jafeth, de oudste. 

Genesis 10:21

Sem’s achter-achter-kleinzoon Heber moet een bijzondere man zijn geweest of hij moet bijzondere nakomelingen hebben gehad, want zijn over-over-grootvader Sem wordt de ‘voorouder van alle zonen van Hebreeën’ genoemd. Het is in de dagen van Heber’s zoon Peleg dat de taalverwarring plaatsvond. Na dit verslag in Genesis 10 en 11 is er geen directe verwijzing meer naar Heber.

Tegen de tijd dat Mozes het verslag in Genesis schrijft (± 1500 VC) leven de Hebreeën overal in het nabije Midden-Oosten en ze zijn bij hun naburige naties ook onder die naam “Hebreeën” bekend. Een paar voorbeelden hiervan zien we in de geschiedenis van Abram en Jozef:

Later kwam een man die ontkomen was [uit Sodom], het aan Abram, de Hebreeër, vertellen. Die woonde toen bij de grote bomen van Mamré, de Amoriet.

Genesis 14:13

[Jozef zei:] Eigenlijk ben ik ontvoerd uit het land van de Hebreeën

Genesis 40:15

In de tijd dat Abram (ruwweg 1900 VC) leefde tussen andere naties zoals de Amorieten wordt hij de Hebreeër genoemd. De eerste vermelding van “het land van de Hebreeën” is in de tijd dat Jozef in de gevangenis zit (na 1750 VC en voor 1737 VC), in dit geval probeert hij aan enkele medegevangenen uit te leggen waar hij vandaan komt. Opvallend is hier dat ze niet doorvragen, de locatie van het “land van de Hebreeën” is ze blijkbaar bekend.

Een andere hint naar het feit dat de term “Hebreeër” meer betekende in deze vroege periode dan alleen maar de 12 zonen van Israël kunnen we opmaken uit het verslag van het bezoek van Jozefs broers, die te gast zijn in zijn huis in Egypte:

Er werd apart voor [Jozef] opgediend, en apart voor zijn broers en voor de Egyptenaren die bij [Jozef] zaten. De Egyptenaren konden namelijk niet samen met de Hebreeën eten, want de Egyptenaren vinden dat afschuwelijk.

Genesis 43:32

Hoe zouden de Egyptenaren hebben moeten weten dat het samen eten met Hebreeën iets “afschuwelijks” is als de eerste Hebreeën die ze ooit ontmoet hadden nu bij hen aan tafel zitten? De simpele verklaring is dat ze al eerder contact met meer “Hebreeën” hadden.

Er is archeologisch bewijs gevonden voor handel tussen Egyptenaren en mensen uit de Arabische en Syrische woestijn in de muurtekening van tombe 3 van Khnumhotep II, in Beni Hassan, welke wordt gedateerd op een of twee generaties vóór de tijd dat Jozef in Egypte was.

Afbeelding met tekst

Automatisch gegenereerde beschrijving

Wie meer wil weten over deze tombe en de vroege geschiedenis van de Hebreeën in Egypte kan zich opgeven voor mijn Egypte tour. Bij genoeg aanmeldingen gaat die nog door.

De Egyptenaren in deze tombe gebruiken niet het woord “Hebreeër”, maar noemen deze mensen “Aziaten”. Of deze twee termen op dit moment in Egypte inwisselbaar waren of niet durf ik niet te zeggen. We weten in ieder geval zeker dat men in Egypte en in het hele Midden-Oosten bekend was met Hebreeën omdat een soortgelijke naam ook in Assyrische en Babylonische geschriften voorkomt (als Habiru/Hapiru) en in Egypte als ‘Apuri.

De uitgebreide bijbelse Encyclopedie “Inzicht in de Schrift” zegt onder andere dit over de Hebreeën (nadruk van mijzelf): Men zou aannemen dat de uitdrukking ʽIv·riʹ (Hebreeër) van toepassing zou zijn op alle nakomelingen die er terecht aanspraak op zouden kunnen maken Heber als hun voorvader te hebben. Veel geleerden vermoeden dat dit oorspronkelijk wellicht het geval was, maar dat de naam na verloop van tijd alleen nog gebruikt werd voor de Israëlieten als de belangrijkste Heberieten of Hebreeën. In het bijbelse verslag komt een soortgelijke situatie voor. Hoewel er vele niet-Israëlitische nakomelingen van Abraham waren, met inbegrip van de Edomieten, de Ismaëlieten en de nakomelingen van Abraham via zijn vrouw Ketura, worden uitsluitend de Israëlieten het „zaad van Abraham” genoemd.

We weten uit andere vroege Bijbelse verslagen dat er ook andere volken en groepen aanbidders van Jehovah waren. Denk bijvoorbeeld aan Job, maar ook aan de profeet Bileam en aan de familie van Laban in Haran (waar Izaäk en Jakob beide nog hun vrouw zouden vinden). 

Blijkbaar waren de Israëlieten zich er zelf op een bepaald moment van bewust dat de meeste van hun Hebreeuwse verwanten ermee waren gestopt Jehovah te aanbidden. Ze gebruiken het woord “Hebreeër” dan ook om juist een verwant aan te duiden die niet meer Jehovah volgt, maar met de vijand heult. Een mooi voorbeeld waar het onderscheid tussen beide groepen wordt genoemd staat in het verslag in 1 Samuël van rond het jaar 1100 VC:

En de Hebreeën die zich eerder bij de Filistijnen hadden aangesloten en die met hen waren opgetrokken en in hun kamp waren, kozen nu de kant van de Israëlieten onder het bevel van Saul en Jonathan. 

1 Samuël 14:21

Ik raad iedereen aan het hele artikel over de Hebreeën te lezen in “Inzicht in de schrift”, want met dit soort achtergrondinformatie kunnen we een bijbels verslag met veel meer begrip lezen.